Verbaal – performaal kloof bij hoogbegaafde kinderen

Posted on

De ervaring leert dat veel problemen die hoogbegaafde kinderen ondervinden, voortkomen uit verveling en een gebrek aan cognitieve uitdaging op school en niet uit een eventuele kloof tussen het VIQ en PIQ. Mocht er wel sprake zijn van een kloof en is die kloof groter dan 25 punten (waarbij verbaal>performaal, de zogenaamde Vp-kloof) en is dit verschil niet direct te verklaren uit de wijze waarop de test is verlopen, dan moet er wel serieus gekeken worden of het kind geen hinder ondervindt op school hierdoor.

Bij kinderen met een grote Vp-kloof (>25 punten), ligt het denken en redeneren in taal dus op een veel hoger niveau dan het praktisch handelen. Dit verschil kan leiden tot grote frustratie en teleurstelling in eigen werk. Het kind is namelijk in staat de plannen die hij maakt op zeer hoog niveau uit te denken en te verwoorden. Als hij deze plannen echter wil uitvoeren, wordt hij teleurgesteld in het resultaat omdat het er anders uit komt te zien dan hij in gedachten had of omdat het hem veel tijd kost om tot een oplossing te komen. Voor zijn gevoel ‘faalt’ hij steeds.

Ook bij instructie kunnen er problemen ontstaan, omdat in het hoofd minder snel een koppeling wordt gelegd met het handelen. Hij zal daarom de neiging hebben om nieuwe situaties te gaan ontwijken en deze pas aan te gaan als hij zeker weet dat hij het beheerst en hij kan beredeneren hoe het in elkaar zit, met name op motorisch gebied. Dit ontwijken kan tot gevolg hebben dat het kind niet aan het werk gaat na instructie, maar afleiding gaat zoeken / veroorzaken in de klas. Kinderen met een grote kloof worden vaak niet herkend, omdat hun verbale vaardigheden zo goed zijn. jonge kinderen worden vaak in eerste instantie als kinderen met ADHD geclassificeerd en worden vaak gezien als stoorzender in de klas. In het algemeen geldt dat de moeilijkheden van deze kinderen groter worden, naarmate ze ouder worden.

De sterke kanten van kinderen met een Vp-kloof zijn:

  • vroegtijdige ontwikkeling van de spraak en de woordenschat
  • opmerkelijk sterk geheugen; iets uit het hoofd leren gaat uitstekend
  • scherp oog voor details
  • vroegtijdige ontwikkeling van leesvaardigheden en uitstekende spellingsvaardigheden.
  • sterk auditief geheugen; ze luisteren graag naar alles wat verteld wordt. Ze kunnen dit ook heel goed onthouden
  • goed in technisch lezen
  • in bezit van een ruime woordenschat
  • auditief (horend) erg gevoelig. Alle geluiden komen sterker bij hen binnen
  • zelfdiscipline
  • doorzettingsvermogen

De zwakke(re) kanten van deze kinderen zijn:

  • moeite met routine, alles steeds elke dag opnieuw moeten vertellen (wassen, aankleden, bed opmaken, enzovoort)
  • chaotisch
  • niet in staat zelf kamer hun op te ruimen
  • een matig tot slecht organisatorisch vermogen / verstrooid (haal je jas van je kamer, kind gaat naar boven en komt nooit meer terug, zit strip te lezen)
  • vergeetachtig (ze denken dat ze iets gedaan hebben omdat ze er (meerdere malen) aan hebben gedacht. Ze zijn het dan vergeten echt te doen)
  • vaak boos of verdrietig (hij kan alles goed begrijpen maar zijn handelen leidt tot een slecht product, kind valt zichzelf dus steeds tegen)
  • langzaam met (inzichtelijk) rekenen
  • niet altijd even sociaal vaardig
  • drempelvrees, alles wat nieuw is zorgt voor problemen, omdat ze niet zeker weten of ze het wel kunnen. Soms zijn kinderen ook niet meer in staat om in actie te komen. Ze lijken de moed te hebben opgegeven. Als dat ernstig wordt heet dat apathisch zijn.
  • blokkade; er ontstaat een situatie, kind kan er niet mee omgaan, blokkeert en gaat bv op toilet zitten; apathisch
  • tics
  • de aanzet in een schrift is halverwege de regel of bladzijde
  • laag zelfbeeld (steeds opnieuw niet kunt uitvoeren wat ze in hun hoofd bedenken. Dat voelt onmachtig en daar kun je onzeker van worden)
  • vaak angstig: nachtmerries
  • extreem visueel
  • moeite met abstract denken
  • moeite met het zien van verbanden
  • onhandige, houterige grove motoriek
  • problemen met de fijne motoriek (pengreep, veters strikken, hanteren van mes en vork etc.)
  • slechte oog-hand-coördinatie
  • onverklaarbare uitingen van woede en angst.
  • moeite met herkennen van niet-verbale signalen (gebaren, gelaatsuitdrukkingen).
  • problemen met het overzicht, bijvoorbeeld in de gymzaal en het zwembad
  • het gedrag van een dergelijk kind kan leiden tot de diagnose ADHD, Asperger, dyslexie, terwijl er ‘alleen maar’ sprake is van een V-p kloof.

De manier van begeleiden van kinderen met een grote verbaal-performaal kloof is afhankelijk van hoe de kloof er precies uitziet. Kinderen met een IQ van 140 op de verbale schaal en een IQ van 100 op de performale schaal, zijn bijvoorbeeld over het algemeen gebaat bij uitdaging op verbaal vlak (rekenen, taal, geheugen), maar hebben hulp nodig bij het aanbrengen van structuur, het houden van overzicht en het plannen van hun werk. Het is belangrijk dat de leerkracht dit weet, zodat hij het kind enerzijds niet onderschat en zorgt voor uitdagend werk, maar anderzijds ook niet overschat op het vlak van zelfstandig werken. Begeleiding en structuur is meestal van extra groot belang.

Heel anders wordt het advies bij een kind dat een IQ heeft van 145+ op de verbale schaal en een IQ van 125 op de performale schaal. Dit kind is prima in staat om te plannen en het overzicht te houden, maar zal eerder last hebben van frustratie omdat de radartjes in zijn hoofd en stuk sneller gaan dan zijn handen en het tijd kost om plannen die je in je hoofd hebt, om te zetten in daden. Een dergelijk kind is gebaat bij aanmoediging en positieve feedback, waarbij de nadruk moet liggen op het leerproces in plaats van op het eindresultaat. De ouder/verzorger kan bijvoorbeeld vragen wat het kind precies in zijn hoofd had en het kind leren een realistisch beeld van zichzelf of over de situatie op te bouwen.

Veel kinderen met een verbaal-performaal kloof hebben een aantal overeenkomsten:

  • moeite om te werken onder tijdsdruk
  • afstand tussen denken en doen
  • problemen op het gebied van ruimtelijke oriëntatie
  • motorische problemen (uit zich vaak in fijne motoriek, bijv. slecht handschrift)

N.B. Deze verzameling kenmerken kan niet omgekeerd gebruikt worden om te concluderen dat kinderen met zulke kenmerken dus een V-P kloof hebben!

Een aantal praktische adviezen

  • Bied structuur door bijvoorbeeld gebruik te maken van een planbord of agenda. Bied structuur in tijd, werkvorm en inhoud om het overzicht voor het kind te behouden.
  • Probeer de problematische ‘zwakke’ kant te trainen. Niet door te focussen op wat de ervaren zwakheid is, maar door op zoek te gaan naar oplossingen die de onderliggende problematiek aanpakken.
  • Maak gebruik van pictogrammen, oftewel plaatjes, waar een getekende opdracht op staat.  Doordat het kind de opdracht ziet als plaatje, reageren zijn hersenen anders en kan hij makkelijker de opdracht uitvoeren.
  • Roep ook verbaal zoveel mogelijk beelden op bij het geven van een opdracht. Probeer in elke gegeven opdracht te visualiseren door drie dimensies te verwerken in uw woordkeus en uitleg van de opdracht : symbool, betekenis en gevoelswaarde. Kind zelf laten navertellen.
  • Laat het kind nazeggen wat de bedoeling van de opdracht is, om te checken of alles is overgekomen / duidelijk is.
  • Laat het kind feedback geven na de opdracht, zodat het helder wordt waar voor hem de knelpunten lagen.
  • Laat het kind zich de moeite waard / competent voelen door vertrouwen en waardering uit te stralen door middel van bijv. gezellige en gezamenlijke momenten. (bijv. samen een klusje doen, koken, spelletje, kruiswoordpuzzeltje etc.)
  • Routinetaken niet door verbale instructie (en veel gemopper…want elke dag moet alles opnieuw gezegd worden) eigen maken, maar door visuele instructie. Bijvoorbeeld: een lijstje met pictogrammen maken voor de standaard routinetaken van die dag. Bij elke uitgevoerde handeling (pictogram) een sticker plakken, of knijper opschuiven naar de volgende handeling. In de thuissituatie kan het uw kind helpen door een dagindeling visueel te maken op een klokplaatje en wat er dan van het kind verwacht wordt. Zodra het klokplaatje is opgenomen in het hoofd, kan het kind na een aantal keren zelf ‘automatisch’ de klok afwerken door het beeld van de klok op te roepen.
  • Check op regelmatige tijdstippen of het kind nog bij de les is. Je kan met het kind een signaal afspreken om de aandacht weer bij de les te krijgen. Maak gebruik van (gesproken) taal om dingen te verduidelijken die voor leeftijdsgenoten vanzelfsprekend zijn.
  • Geef het kind de kans om na een toets of examen mondeling het geschrevene te verklaren. Hun gedachten op papier zetten gaat vaak moeizaam, terwijl ze wel de antwoorden weten.
  • Stel ook feitenvragen. Inhoudelijke vragen zijn dikwijls te moeilijk.